Waarom je je niet mag blindstaren op 1 informatiebron. Een case – study

We zijn weer in volle testperiode, waarbij de lactaatstrips ons om de oren vliegen. Tussen al deze tests door blijven we toch elk jaar opvallende zaken terugvinden. Een van deze is het fenomeen “slechte testers”, renners die op de rollenbank helemaal niet kwijt geraken wat zij beweren te kunnen. Een logische reactie is vaak te wijzen dat een test perfect gestandaardiseerd is; dat op de rollen rijden of buiten geen groot verschil kan maken; dat de lactaatwaarden er nu eenmaal zijn.  Eén van onze renners hoort tot de categorie “slechte testers”. Hierbij zijn testresultaten:

De renner rijdt 2min in de blok van 380W vooraleer de inspanning te stoppen, indien we de test globaal bekijken zien we een normale lactaatcurve, met een vetdrempel rond 260W en anaerobe drempel rond 320W. Hij haalt een maximale hartslag van 192, wat zeker normaal is. Zijn hoogste hartslag in wedstrijdseizoen 2021 was 197 en we weten dat je tijdens een opklimmende test daar iets onder blijft. Zijn maximaal lactaat is niet extreem hoog, andere jaren kan hij tot ongeveer 10mmol/l gaan, maar 7.5mmol/l zien we wel vaker bij uithoudingsgetrainde atleten.

Algemeen een mooie test waarop weinig valt aan te merken, toch is deze renner hier absoluut niet blij mee. Waarom niet? Daarvoor gaan we in zijn trainingsgegevens kijken.

Dit is de curve van zijn inspanningstest volgens zijn eigen vermogensmeter. Hieruit blijkt dat zijn vermogensmeter gem 14W onderschat ten opzichten van het vermogen dat de Cyclus 2 oplegt. De laatste 2min rijdt hij 364W gem om volledig kapot te eindigen op de rollen met zijn maximale hartslag. De vermogensmeter werd vlak voor de test gekalibreerd. Vooraf reed hij 6min 329W voor de blok ervoor.

6 dagen later moest deze renner een intervaltraining afleggen met 2* 20min aan anaerobe drempel tot net iets meer. De renner rijdt met dezelfde vermogensmeter, maar zoals vaker doet hij zijn blokken op gevoel. Logischerwijs zou je op basis van zijn test 330-340W verwachten, gecorrigeerd naar zijn vermogensmeter dus ongeveer 325W, hierbij zijn gegevens:

Hij doet blok 1: 20min aan 353W en blok 2: 21min aan 355W gemiddeld. Hij haalt een gemiddelde hartslag van 173 en 171 en een maximale hartslag van 180 en 177 tijdens de blokken. We kunnen dus stellen dat de blokken waarschijnlijk niet maximaal waren, alsook de feedback van de renner geeft dit aan. (zowel de test als deze training waren vlak na een volledige rustdag) Indien we de correctie doorvoeren rijdt hij dus 2* 20min aan ongeveer 365W, terwijl hij een week eerder aan 380W maar 2min kon fietsen op de rollen en aan 340W al serieus aan het afzien was.

Deze renner legt ook in praktijk veel betere resultaten en powerprofielen neer dan de inspanningstest doet vermoeden. Een juiste reden waarom dit op de test niet tot uiting komt hebben we niet, maar in elk geval geeft dit weer dat je op basis van 1 test (labo noch veld) het hele verhaal van een renner kan kennen en dus vanuit verschillende informatiebronnen zo goed mogelijk beeld moet scheppen om zo tot de optimale trainingen te komen om zwakke plekken weg te werken of sterke punten te accenturen. “Slechte testers” bestaan dus wel degelijk, hoewel het eerder uitzonderingen blijven, een ruwe inschatting van onze databank lijkt tot 1/50 renners te komen.

Maar wat moeten je dan doen indien je tot deze categorie “slechte testers” hoort? Ondanks dat dit fenomeen bij deze renner al een tijdje terugkomt blijven we hem elk jaar testen. Dit heeft verschillende redenen. Hoewel de vermogenszones niet overeenkomen zijn de inschattingen van zijn hartslagzones correct. Voordat hij met vermogen reed, trainde hij enkel op hartslag en kon hij dus ook al juiste zones trainen doormiddel van de test. Daarnaast geeft een test wel een goed beeld of de renner verandert over de jaren heen. Zo kunnen we binnen deze renner een duidelijke rechtsverschuiving zien van de lactaatcurve over de jaren heen, wat ook overeenkomt met de vermogensmetingen in veld.  De inspanningstest blijft dus een meerwaarde in elke opvolging van een rennersontwikkeling, maar als coach gebruik je in de praktijk meerdere tests of databronnen om een goed beeld van de atleet te vormen.

Powerzone gaat off-road

In 2024 gaat Powerzone een samenwerking aan met de ploeg Bike2Connect. Bike2Connect is een ploeg bestaande uit 2 renners hoofdzakelijk actief in het MTB circuit.